Ik loop de slaapkamer in en doe het licht aan. ‘Opstaan meisjes!’ Het duurt altijd zeker 10 minuten voordat ze echt wakker zijn. Mara’s bed ligt vol knuffels. Die moeten nu één voor één wakker worden gemaakt. Vervolgens wil ze een boekje lezen. ‘Nee, Mara, we hebben GEEN tijd nu voor een boekje!’ ‘Ja, maar mama, even snél!’ Evy wil niet uit haar warme bed komen en trekt een boos hoofd.
‘Jullie moeten naar school. Mara, een rok of een broek?’
‘Een rok, m’n nieuwe. Neee, niet die pulle, ik wil een andere. En m’n knuffels moeten mee naar beneden.’
‘We gaan ze niet allemáál meenemen, Mara. Kies er maar drie uit.’
We komen eindelijk beneden, tijd voor het ontbijt. Evy en Mara willen geroosterd brood. Mara zet haar knuffels rond haar bord, want die moeten ook ontbijten.
‘Eet even door! Mara, je eet niet door! Kom op, jullie moeten zo naar school. Evy, je kan bést zelf je brood smeren, kom op nou. Nee, niet zo zeuren, gewoon doen!’
Het brood zit erin.
‘Ik ga even naar de badkamer. Als ik terugkom, hebben jullie je kleren aan, oké?’
‘Ja, mama.’
Drie minuten later blijkt dat ze nog steeds niet zijn aangekleed. ‘Evy! Je hebt alleen nog maar je broek aan! Schiet nou eens op!’
‘Ja, maar, mama…’
‘Nee, niks ‘ja maar’! Trek je kleren aan! Hup, pyjama uit, shirtje aan!’
‘Ja, maar, mama….’
‘NU!!! En Mara, schiet jij ook eens op!’
‘Ja, maar ik kan het niet alleen.’
‘Je kan het prima alleen, je wil het alleen niet. Hoppa, pyjama uit. Nee, niet met je knuffels spelen nu.’
‘Ja, maar, mámá…’
‘Schiet nou toch eens op! En dan nu naar de badkamer, haren kammen. Evy, sta nou eens stil.’
‘Ja, maar ik doe ballet.’
‘Dit is niet het moment voor ballet. STA STIL! Mara, kom hier, niet gaan zitten kleuren nu.’
‘Ja, mam, wácht!’
‘Nee, ík sta altijd op júllie te wachten. Hoppa, kom HIER! Nu! En dan nu jullie laarzen aan. Nee, Evy, die staan níet in de slaapkamer, maar in de gang. Je loopt de verkeerde kant op.’
‘Jahaaaa, maar WACHT nou mama.’ Evy is boos.
‘Neeeee! Nu!! Naar de gang en je laarzen aan! Mara, jij ook! Waarom doe je je sjaal om je middel?’
‘Ik ben een unicorne.’ (alsof dat de zaak verduidelijkt)
Als ik voor elke keer dat ik ‘Nu’ en ‘Opschieten’ zeg tien euro zou krijgen, was ik binnen. Hoefde ik nooit meer te werken en liet ik een nanny ’s ochtends achter de kinderen aan rennen.
Benjamin is ze nu naar school aan het brengen. De dag kan beginnen.

