Eergisteren had ik het gesprek met wethouder Schroyen over de zooi op straat en dan vooral in de buurt St. Leonard. Er zat nog een andere werknemer bij die alles wat we zeiden opschreef en het gesprek duurde een klein uur. Overigens kon ik in het Nederlands praten, wat het 10x makkelijker maakte voor mij; de wethouder spreekt goed Nederlands.
De conclusies:
* de Luikenaren zijn nonchalant. Ze zien ‘buiten’ als ‘van niemand’ en niet als ‘van iedereen’. Hier komt weer het levensmotto van de Waal om de hoek kijken: on s’en fou (wat kan ‘t schelen)
* de politie is bevoegd om boetes uit te delen, maar is niet strict genoeg
* er is geen geld voor ondergrondse vuilnissystemen zoals je die in NL ziet
* scholen krijgen informatiepakketten over ‘respect voor je omgeving’, maar niemand kan ze dwingen om deze te gebruiken
* ‘ik’ krijg een ‘geen honden op het grasveld’-bordje geplaatst bij het grasveld op Place St. Leonard
* als ik iets organiseer in de buurt wat ten goede komt aan ‘het milieu’ kan ik – zoals iedereen die zoiets organiseert – een bijdrage krijgen van 100 euro
Al met al is er geen snelle oplossing. De mentaliteit van ‘de Luikenaar’ helpt niet mee. Er is niet genoeg geld. Al geloof ik wél dat meneer Schroyen zijn best doet.
Vlak voor het weggaan kreeg ik nog wat cadeautjes. Een rol vuilniszakken, 2 asbakjes die je in je zak kunt stoppen en zo geen peuken op straat hoeft te gooien én een tas. Levert zo’n gesprek tóch nog wat op ; )


























