Gisteren liep ik een dronken, huilende hoer tegen het magere lijf. Dat gebeurt me niet vaak, sterker nog, dat is me nog nooit gebeurd. En toevallig genoeg ben ik op het moment compleet into een geweldig boek waarin een prostituee eind 19e eeuw de hoofdrol speelt (absoluut een tip: ‘Lelieblank, Scharlakenrood’, door Michel Faber).
Ik was Chinees gaan halen als avondeten (Bens zussen waren er en ja: ook Bens moeder stond ineens weer voor de deur…) en fietste naar huis door een vaag stukje Luik, toen ik op de stoep een huilende vrouw zag liggen en over haar heen gebogen een man. Dat de vrouw een hoer was, was meteen duidelijk. Te kort rokje, afgetrapte pumps, verlopen gezicht, make-up tot op haar kin door het huilen. Ik stopte en vroeg wat er aan de hand was. De man was ook niet helemaal helder en zei dat hij de politie had gebeld omdat zij had geprobeerd 70 euro van ‘m te jatten. Dat zij een prostitutee was, jawel! Een mooie prostituee, maar desalniettemin: een prostituee! Zij zei snikkend en snotterend dat ze zo’n pijn aan haar been had omdat hij haar had omgeduwd. Hij ontkende dit weer. Kortom: lekker vaag allemaal. Ik vroeg of de huilende dame met me mee wilde komen, een drankje drinken op een terras (gewoon, weg daar). Of moest ik misschien iemand bellen? Inmiddels was er nog een mannetje bij komen staan. Ze wilde niet met mij mee, ze bleef liever bij de twee mannen (tja, misschien wel vaste klanten). En daar gingen ze, met z’n drietjes, een middeleeuws steegje in dat zo smal is dat je er niet met z’n tweeën naast elkaar kunt lopen. Hun duistere wereldje in.